Actueel

Verhuizingen binnen de verpleeghuiszorg vinden vooral plaats in de eerste vier maanden nadat ouderen er zijn komen wonen. Dat blijkt uit het landelijke RELOCARE-onderzoek naar waardig verhuizen binnen de verpleeghuiszorg. Iedere verhuizing, individueel of in groep, heeft een grote impact op bewoners, hun naasten en medewerkers. Het rapport is op 8 september 2026 aangeboden aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, Mirjam Sterk.

09-09-2026

Veel bewoners verhuizen kort nadat zij in het verpleeghuis komen wonen

Verpleeghuisbewoners krijgen vaak te maken met verhuizingen. Jaarlijks gaat het in Nederland om gemiddeld 36 verhuizingen per 100 bewoners. Verhuizingen binnen de verpleeghuiszorg vinden vooral plaats in de eerste vier maanden nadat ouderen er zijn komen wonen. Dat blijkt uit het landelijke RELOCARE-onderzoek naar waardig verhuizen binnen de verpleeghuiszorg. Iedere verhuizing, individueel of in groep, heeft een grote impact op bewoners, hun naasten en medewerkers. Het rapport is op 8 september aangeboden aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, Mirjam Sterk.

Minister Sterk: “Ik kan me goed voorstellen dat de impact van zo’n 
verhuizing groot is. Verhuizen is voor iedereen een grote stap, zeker in de kwetsbare levensfase. Uit het onderzoek blijkt duidelijk hoe emotioneel zo’n proces is. Het is dan ook essentieel dat een verhuizing met de grootste zorgvuldigheid verloopt. Dit onderzoek biedt concrete handvatten voor zorgaanbieders om dit proces beter te begeleiden, met name door middel van de verhuisbox. Die kennis is goud waard en verdient een brede verspreiding, bijvoorbeeld via Actiz.”

Het RELOCARE rapport is aangeboden op 8 september aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, Mirjam Sterk.;

Verhuizing

Voor bewoners betekent een verhuizing, intern of naar een andere locatie, meer dan een praktische verplaatsing. Verhuizingen gaan gepaard met gevoelens van onzekerheid, angst en verlies, juist in een periode waarin mensen nog moeten wennen aan hun nieuwe woonomgeving. Ook naasten en zorgmedewerkers ervaren verhuizingen als intensief, onder andere door gebrekkige informatievoorziening en het opnieuw moeten opbouwen van routines. Wat voor bewoners bepalend is voor een goede verhuizing, is of zij zich veilig, vertrouwd en betrokken voelen voor, tijdens en na de verhuizing. Het meenemen van eigen spullen naar de nieuwe plek, vertrouwde gezichten, duidelijke communicatie en het ervaren van een thuisgevoel op de nieuwe locatie, blijken daarbij cruciaal.

Continuiteit

De bevinding dat verhuizingen regelmatig plaatsvinden kort nadat bewoners voor het eerst in een verpleeghuis zijn komen wonen , benadrukt het belang van een zorgvuldige en passende eerste verhuizing van thuis naar het verpleeghuis. Met aandacht voor continuïteit in wonen en zorg. Tegelijk laat het onderzoek zien dat verhuizingen binnen de verpleeghuiszorg in sommige situaties onvermijdelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer vastgoed verouderd is en een nieuwe woonlocatie nodig is. “Verhuizingen in de verpleeghuiszorg zijn niet slechts logistieke gebeurtenissen, maar ingrijpende momenten die diep raken aan het gevoel van thuis en verbondenheid. Passende ouderenzorg vraagt om tijdige, planmatige en persoonsgericht verhuizingen, waarbij expertise zich aanpast aan de bewoner en niet andersom.” Aldus prof. Verbeek, hooglerlaar Zorgomgeving voor kwetsbare ouderen aan de Universiteit Maastricht en projectleider.

Verhuisbox

Het is belangrijk om verhuizingen op een goede manier te begeleiden, met aandacht voor betrokkenheid van bewoners en naasten, ruimte voor emoties en het ondersteunen van een thuisgevoel. Op basis van de onderzoeksresultaten is samen met medewerkers en naasten uit de praktijk de verhuisbox ‘Samen uit, Samen thuis’ ontwikkeld. Deze biedt 
zorgorganisaties concrete handvatten om verhuizingen beter te begeleiden, zowel in de voorbereiding, op de dag van verhuizing en in de nazorg. 

Het onderzoek is uitgevoerd door de Samenwerkende Academische 
Netwerken Ouderenzorg (SANO) en is mede mogelijk gemaakt door VWS.

Meer informatie en de eindrapportage

Contactpersoon: prof. dr. Hilde Verbeek