GRIP op Probleemgedrag

 terug naar overzicht
vorige studie            volgende studie
 naar 'Interventies probleemgedrag'
Sandra Zwijsen

Verslag pilot GRIP-II

Nederlandse samenvatting
(proefschrift)

Procesevaluatie (2014)

Studieprotocol

Abstracts

Nieuwsbrieven
nov. 2012
juli 2012
maart 2012
dec. 2011
juni 2011
maart 2011

EMGO



 

 

1.    Beschrijving            

Ontstaan
Grip op probleemgedrag (GRIP) is een methode die door het VUmc in samenwerking met de UKON-onderzoeksgroep ontwikkeld is. Op basis van richtlijnen en in samenspraak met mensen uit de praktijk is een praktische methodiek ontwikkeld. De Engelse vertaling van GRIP luidt: ‘Coming to grips with challenging behaviour’.

Doel, doelgroep, focus
GRIP richt zich op mensen met dementie met probleemgedrag in het verpleeghuis. De methodiek geeft handvatten aan het multidisciplinair team om de onderliggende oorzaken van het probleemgedrag te vinden en die te behandelen. Onderliggende oorzaken kunnen bijvoorbeeld onvervulde behoeften zijn, stress of de manier waarop ouderen proberen om te gaan met veranderingen in hun leven. GRIP geeft structuur aan de aanpak van probleemgedrag op psychogeriatrische afdelingen. Daarbij ligt de nadruk op zo min mogelijk gebruik van medicijnen en vrijheidsbeperkende maatregelen.
Het doel is de aanpak van probleemgedrag te verbeteren zodat probleemgedrag en het gebruik van psychofarmaca vermindert.

De interventie GRIP
De methodiek GRIP bestaat uit allereerst uit een scholing over probleemgedrag en het belang van methodisch werken. Vervolgens wordt het methodisch werken vormgegeven en ondersteund in vier stappen:
1.    Detectie: Vroegtijdig vaststellen van probleemgedrag door verbeterde signalering door verzorging aan de hand van een scorelijst (NPI-Q). Met behulp van deze lijst wordt gekeken naar 12 mogelijke symptomen, de ernst ervan en de emotionele stress die het veroorzaakt. De scorelijst wordt elke zes maanden door verzorgenden ingevuld en dient als vangnet voor het probleemgedrag dat door de verzorging niet spontaan gesignaleerd wordt.
2.    Analyse: Analyse van het gedrag met behulp van een werkblad. Verzorgers beantwoorden vragen als: hoe ziet het gedrag eruit, voor wie is het een probleem, waar en wanneer gebeurt het, etc. Dit werkblad wordt doorgegeven aan de arts (bij een lichamelijke oorzaak) of aan de psycholoog (bij een mogelijk psychische oorzaak). Zij vullen hun eigen werkblad in en geven een uitgebreide beschrijving van het gedrag en de mogelijke oorzaak.
3.    Behandeling: Opstellen van behandelplan, -doel en evaluatiemoment door de arts of psycholoog. Het team bespreekt de resultaten van de analyse en de ernst van het gedrag. De behandeling wordt gebaseerd op de analyse en hangt af van de mogelijke oorzaken, wensen van de bewoner en behandelingsmogelijkheden in het verpleeghuis.
4.    Evaluatie: Evaluatie met het team door de arts of de psycholoog (afhankelijk van wie de behandeling regisseert). Aan de hand van de 10-puntsschaal wordt geschat of het gedrag verbeterd is. Ook wordt een evaluatieformulier doorlopen met vragen als: is het behandeldoel bereikt, zijn alle geplande behandelingen uitgevoerd, wordt de behandeling gestopt of een andere behandeling toegepast etc.

2.    Evaluatie en effecten van GRIP

Fase van het evaluatie-onderzoek
De studie is afgerond. De vervolgstudie, een implementatiestudie, GRIP-II loopt momenteel.

Onderzoeksopzet
GRIP werd stapsgewijs ingevoerd op 17 psychogeriatrische afdelingen in verpleeghuizen door heel Nederland. Elke 4 maanden werd door middel van interviews en vragenlijsten gegevens verzameld (in totaal 5 keer per afdeling). Aan het onderzoek deden 659 ouderen met dementie mee. Het onderzoek duurde 20 maanden. Verzorgenden zijn geënquêteerd op hun werkbeleving (werktevredenheid, werkdruk en burn-out)
De onderzoekers keken naar het effect op probleemgedrag van de bewoner en het gebruik van medicijnen. Tevens naar de werkdruk en burn-out van verzorgenden. 

Resultaten
a.    Effect: 
Er waren kleine verschillen in geagiteerd gedrag te zien tussen afdelingen waar het zorgprogramma al enige tijd liep en afdelingen waar het programma nog niet was ingevoerd. Bewoners waren daarnaast ook minder depressief, lusteloos en ontremd. Ook hadden ze minder last van waanbeelden. De kans dat antipsychotica werd voorgeschreven was gehalveerd en van antidepressiva was het 35% lager. Bij goede implementatie waren de resultaten groter dan op afdelingen waar GRIP maar matig was geïmplementeerd. Er was geen effect te zien van het zorgprogramma op vrijheidsbeperkende maatregelen.
Op de vragenlijst voor verzorgenden die burn-out meet werd geen verschil gevonden en ook de ervaren werkdruk bleef gelijk. De werktevredenheid van zorgverleners nam toe nadat ze begonnen waren met te werken volgens Grip op Probleemgedrag.
b.    Proces: 
De procesevaluatie toonde aan dat werd voldaan aan de voorwaarden om de effectdata te kunnen interpreteren; de werving van deelnemers maakte generalisatie mogelijk en de opzet van het zorgprogramma werd door de gebruikers als passend en bruikbaar beoordeeld. Er werden echter ook verschillende factoren gevonden die de implementatie van het zorgprogramma negatief beïnvloedden, waardoor de implementatie niet optimaal was. Ten eerste waren er organisatorische factoren zoals personeelsverloop, onvoldoende multidisciplinaire samenwerking en organisatorische veranderingen die de implementatie nadelig beïnvloedden. Daarnaast was de afdelingscultuur en de betrokkenheid van een ‘sleutelfiguur’ op de afdeling van belang voor de mate van implementatie. Verder was het zorgprogramma niet digitaal beschikbaar terwijl sommige afdeling met digitale dossiers werkten. Tenslotte schrok de hoeveelheid werkbladen die bij het zorgprogramma hoorde sommige gebruikers aanvankelijk af, hoewel men ook aangaf alle bladen nodig te hebben voor een juiste aanpak van probleemgedrag.

Conclusie
De resultaten laten zien dat het programma goed werkt. Vooral de afname in depressie en lusteloosheid is veelbelovend, omdat deze klachten vaak over het hoofd gezien worden. Waarschijnlijk worden deze klachten nu beter opgemerkt omdat bij dit programma met een speciale checklist wordt gewerkt om deze symptomen te herkennen. Verder is het belangrijk dat dit programma bijdraagt aan minder gebruik van medicijnen. Het biedt een gestructureerd plan dat behandelaren kunnen volgen, voordat ze overschakelen op het voorschrijven van medicijnen. Hierdoor zijn voldoende alternatieve plannen voorhanden waardoor het voorschrijven van medicijnen waarschijnlijk vermindert.
De effecten van het programma waren echter wel kleiner dan verwacht. Waarschijnlijk komt dit omdat het programma werd ingevoerd bij alle bewoners van de afdeling, terwijl niet iedereen last had van probleemgedrag. Hierdoor lijken de effecten mogelijk minder groot. Daarnaast hebben op sommige afdelingen implementatieproblemen een rol gespeeld. 


3.    Uitvoeren en implementeren van GRIP

Op dit moment (2015) is er een vervolgstudie gaande, GRIP-II, waarbij een implementatiepakket ‘Grip op Probleemgedrag’ ontwikkeld wordt. In deze studie wordt een draaiboek ontwikkeld, een train-de-trainer module en worden formulieren en werkbladen gedigitaliseerd. In de train de trainer module worden lokale coördinatoren van instellingen geschoold in het implementatie en gebruiken van GRIP. Vervolgens kan men in de eigen instelling aan de slag met het invoeren. De scholing voor het multidisciplinaire team die de lokale coördinator geeft, bestaat uit twee dagdelen. De eerste bijeenkomst vindt bij aanvang plaats en de tweede is enige weken later waarbij ingegaan kan worden op de ervaringen met deze methodiek.

4.    Aanbevolen literatuur over GRIP

5.    Informatie over de wetenschappelijke studie

Onderzoeksteam GRIP-I
Dit onderzoek was een samenwerkingsverband van het VU Medisch Centrum en het Radboudumc.

Dr. Martin Smalbrugge (projectleider en co-promotor)
Dr. Debby Gerritsen (projectleider en co-promotor)

Dr. Sandra Zwijsen, uitvoerend onderzoeker (s.zwijsen@vumc.nl)
Prof. dr. Jan Eefsting 
Prof. dr. Anne-Margriet Pot (promotor)
Prof. Dr. C.M.P.M Hertogh (promotor)

Financiers
ZonMW (GRIP)
Fonds NutsOhra (GRIP II)